De zevende editie van CardPlayer Nederland ligt alweer in de schappen. Geen zin om de deur uit te gaan? Voor €25 per jaar krijg je een jaarabonnement van 6 nummers thuis toegestuurd (losse verkoop: €5,95). Interesse? Mail dan je gegevens naar service@cardplayernederland.nl en het wordt allemaal in orde gemaakt.
Dit artikel van Peter Dalhuijsen zul je ook in de nieuwe CardPlayer Nederland vinden. Hij heeft het dit keer over het pokerjargon, dat de afgelopen jaren is "verrijkt" met een bonte verzameling van zinnige, maar vooral ook minder zinnige termen.
“One time, dealer, one time!”
 Mike Matusow:
“One time!”
Deze veelgehoorde kreet schalt sinds het moment dat Mike Matusow het in 2004 op ESPN zei zodanig vaak door de casino’s, dat eigenlijk al snel duidelijk wordt dat dit verzoek niet bij die ene keer zal blijven. Maar ja, als je daar zo hulpeloos bent overgeleverd aan de pokergoden en ergens een uitlaatklep moet zoeken om de spanning wat af te laten vloeien, dan is het wel prettig om iets te kunnen roepen, natuurlijk. Dat het volledig nergens op slaat om tien keer per dag om “one time” te gaan roepen, doet er even niet toe. Smeek dan om kleine schoppetjes, zou ik zeggen, daar kan zo’n dealer tenminste wat mee.
“One time”... als het toernooi drie dagen of meer duurt mag je wel hopen op meer dan ‘one time’, vriend.
En dit is maar een klein voorbeeld van het hedendaagse pokerjargon, waarin het aantal belachelijke termen serieus uit de hand begint te lopen. We hebben al lang niet meer in de gaten dat onze vaktaal voor buitenstaanders volledig onbegrijpelijk is. Het is nog geen twee jaar geleden dat Johan Rensink werd aangehaald in De Wereld Draait Door, waarin een kort exit-interview langs kwam na zijn uitschakeling in de Dutch Open in Londen. Hij vertelde een voor onze oren bijna overbodig verhaal over hoe standaard zijn ‘repush’ was, dat zijn tegenstander op de button opende, dus dat hij met zijn aas-drie duidelijk voorlag op zijn range, en dat hij bovendien met zijn twaalf blinds nog zat ‘fold equity’ had en daarmee dus een ‘easy push’. De zaal lag uiteraard in een deuk om dit onbegrijpelijke gewauwel.
 Vanessa Rousso:
Maakt een agressieve call
Dit signaal, dat we ons taalgebruik misschien iets bij moeten schaven, werd door iedereen genegeerd. Helaas is het sindsdien alleen nog maar erger geworden, voornamelijk door de invloed van dat gedoe op internet, waar een aantal goeroes in hun instructievideo’s en op discussieforums belachelijke, vaak zelf bedachte termen de wereld in slingeren. De nietsvermoedende luisteraars en lezers weten niet beter dan dat dit standaard termen zijn, en uit angst om er niet bij te horen, nemen ze het maar over. Het is tijd om dit proces een halt toe te roepen.
Neem nou bijvoorbeeld het werkwoord ‘callen’. Eenvoudig, zo op het oog. Iemand plaatst een inzet en jij besluit die te callen. Klaar. Volgende kaart. Maar niet voor onze internetboys. Nee, want het probleem is, callen is namelijk niet stoer. Iedereen die teveel callt in plaats van raiset, wordt al jarenlang standaard uitgemaakt voor ‘calling station’ of ‘passive fish’, of iets van die strekking. Dus dat mag niet gebeuren. Gelukkig komt daar het hedendaagse pokerwoordenboek goed van pas.
In de oudere pokerliteratuur kwam al voor het eerst de term ‘cold call’ voor. Dat klonk al best mannelijk, en dat was een imago wat Limit Hold’em goed kon gebruiken. Als een speler bijvoorbeeld na de flop ‘bettend uitkwam’, zoals de term luidt waar we Rob Hollink voor moeten bedanken, en een andere speler plaatste een raise, dan had de derde speler de optie om te folden, te re-raisen, of om ‘twee bets koud’ te callen. Een ‘cold call’. Niks passiefs, niks om op neer te kijken, want deze speler is ijskoud. Net als Marcel Lüske, die niet zomaar callt, maar een kaart koopt. Een weloverwogen, professionele beslissing. Een echte ‘business decision’.
Even later kwam daar de ‘smooth call’ bij. Want een professional die callt niet zomaar natuurlijk, die doet dat heel soepel. Vanessa Rousso heeft zichzelf onsterfelijk gemaakt door ooit eens te vertellen dat ze een paar ‘agressieve calls’ maakte. Helaas voor haar en gelukkig voor ons is deze term nooit ingeburgerd geraakt.
 Johan Rensink:
Heeft een easy push
Maar de term die de internetgeneratie uiteindelijk volledig heeft omarmd is de ‘flat call’, terwijl niemand ooit hardop heeft uitgesproken dat die term werkelijk nergens op slaat. Daar was namelijk geen tijd voor, want er moest snel een alternatief komen voor het verafschuwde callen. En de flat call kwam als geroepen.
Er wordt door deze jongens al een paar jaar niet meer gecalld. Er wordt ‘geflat’. De tegenspelers zijn nog steeds calling stations, of gewoon ‘stations’, en vooral heel erg passief en dus slecht. Maar voor onze online helden is callen passé. ‘Flatten’ is de toekomst. Dit is ook allang niet meer aan een voorwaarde verbonden, elke vorm van call is een flat. Een raise? Een bet? Doet er niet toe. Ik flat jou. Alleen op de river flatten we niet meer, want dan is het tijd voor de ‘snap call’, maar dat spreekt uiteraard voor zich.
Dit flatten is overigens niet te verwarren met ‘floaten’ natuurlijk, wat helemaal een stoere call is, omdat de caller dit doet met niks, teneinde later de pot alsnog met een bluf te winnen. Uiteraard is de tegenspeler die float met een gutshot niets meer dan een ‘random donk’, die aan het ‘chasen’ was. Floaten, dat doen alleen helden. Wij zijn ‘hero’, zij zijn ‘villain’. Verschil moet er zijn.
Over ‘donk’ gesproken, die term is ook volledig zijn eigen leven gaan leiden en dat had al jaren geleden een halt toegeroepen moeten worden. Nu is het vrees ik te laat. Een slechte speler was ooit een ezel, een ‘donkey’, simpel. Dekt de lading. Was het daar maar bij gebleven. Op internet typt men niet graag meerdere lettergrepen, dus wordt iedereen nu te pas en te onpas uitgemaakt voor ‘donk’. Er zijn ook diverse varianten in deze nieuwe ezelfamilie. Je hebt ‘aggro donks’, ‘passive donks’ en zelfs ‘eurodonks’, die alleen op ons continent voorkomen. Toch zul je ze meestal in grote getale terugvinden in toernooien, die daarom door de cashgame professionals neerbuigend ‘donkaments’ worden genoemd.
Als iemand over een langere periode in de min staat dan is het al snel een donk, de verliezende speler waar we het allemaal van moeten hebben. Bij een online pro die op verlies staat is er dan iets anders aan de hand, want die man is natuurlijk geen donk. Nee, hij ‘runt slecht’ en dat kan bij sommigen wel jaren duren, maar dat is een wereld van verschil. Belangrijk om op te merken.
 Marcel Lüske:
Koopt een kaart
Eén typische eigenschap van zo’n ‘donk’ is bijvoorbeeld dat als hij vanuit de blinds een raise callt, dat hij dan ‘bettend uitkomt’ als hij wat heeft geflopt, en checkt als hij heeft gemist. Daarom heet dat uitbetten ook wel een ‘donkbet’. Tegenwoordig inmiddels alweer geëvolueerd in het werkwoord ‘donken’: “Hij donkt de flop.”
Maar ook hier geldt weer, de stoere online professional plaast geen donkbets en hij donkt al helemaal niet. Dat zou iemand misschien doen denken dat hij zijn geld aan het ‘wegdonken’ is, wat ook een veelgebezigde term is.
Nee, als onze held vanuit de blinds heeft geflat, dan donkt hij de flop niet, nee, die ‘lead’ hij. Marcel Lüske ‘speelt aan’, donks donken, maar onze internethelden ‘leaden’. Een belangrijk verschil. En let ook op dat je je niet vergist bij het all-in gaan, want als je hele stapel fiches op het spel staat, wil je natuurlijk niet voor schut staan. Een echte pro die ‘shovet’, ‘pusht’, of ‘shipt’ zelfs, maar een donk daarentegen, die ‘stackt af’. Laat dat jou nooit overkomen!
En als je tenen nog niet krom genoeg zijn bij al deze belachelijke termen, dan vrees ik dat het alleen nog maar erger gaat worden. Er was ooit een tijd dat we pokerden om geld. Ik weet het nog goed. Maar tegenwoordig niet meer hoor. Die wiskundig onderlegde pokerstudentjes zijn allang niet meer bezig met geld verdienen, maar met het maximaliseren van hun ‘expected value’, of EV. Vroeger plaatste je een riverbet om nog wat extra geld te verdienen, tegenwoordig ben je ‘value’ aan het ‘extracten’.
Als je vroeger een monsterhand had geflopt dan probeerde je je tegenstander leeg te spelen, tegenwoordig neem je hem mee op een ritje naar ‘valuetown’. En ook dit is uiteraard inmiddels een misselijkmakend werkwoord geworden. Als je een mooie hand hebt, dan ben je de donk in kwestie aan het ‘valuetownen’. De brillemans die daarmee begonnen is verdient wat mij betreft de kogel.
En het ergste is nog, dat het einde van deze ellende voorlopig nog lang niet in zicht is. We re-raisen niet meer voor de flop, we 3-betten ‘pre’. We zitten niet meer in middenpositie, we zitten ‘hijack min één’. We zijn niet meer aan het nadenken, we zijn aan het ‘tanken’. Vroeger trapte je het erin, tegenwoordig zijn we aan het ‘snap-shoven’. Ik wil helemaal niet ‘UTG openen’, ik wil gewoon raisen, of hooguit zoals Rob Hollink zegt ‘raisend binnenkomen’, maar daar ligt bij mij ook echt wel de grens. Elke grote pot is tegenwoordig een zieke pot, een pechhand is een zieke hand een gedurfde bluf is een zieke bluf. Nee, dit taalgebruik, dat is pas ziek.
Het wachten is op Def P die het in een nummer eens allemaal netjes op rijm weet te zetten, zoals hij dat voor het origineel Amsterdams ook ooit eens deed. Niet alleen voor onszelf, maar voornamelijk voor de ooms en tantes die op verjaardagen uit beleefdheid vragen hoe het in Las Vegas was, maar daar vijf seconden later alweer spijt van hebben.
 Rob Hollink:
Komt raisend binnen
Het is duidelijk dat een eigen vocabulaire de groepsband versterkt en dat het de leden van deze obscure poker-subcultuur het gevoel geeft dat ze eindelijk ergens bij horen, iets wat waarschijnlijk nog niet veel vaker is voorgekomen. Plus dat er natuurlijk behoefte is aan stoer taalgebruik, die de ietwat nerderige bezigheid van dat geneuzel met die statistieken achter een computerscherm iets meer ‘balla’ doet voorkomen dan het daadwerkelijk is. Dat is ook de voornaamste reden dat de capuchontrui, of ‘hoodie’, in het casino het meest gedragen kledingstuk is door de internetspeler, en ook die trend is allang niet meer te stoppen, het is inmiddels al bijna een soort uniform geworden.
Misschien dat men eens voor de afwisseling in een spiegel moet kijken in plaats van naar een beeldscherm, om te realiseren dat het er niet uitziet, zo’n klein, bleek ventje in zo’n outfit, die krampachtig probeert het gangsterschap te veinzen. Vroeger hadden we daar een term voor, tegenwoordig ben je gewoon een pokerspeler. Maar hoe kenmerkend het ook is, het is in ieder geval minder hinderlijk dan dat belachelijke taalgebruik van tegenwoordig.
Waar we vroeger allemaal zo smakelijk moesten lachen om de “jack in the box, stift” van Jiskefet, hebben de meesten niet door dat het met de pokertaal inmiddels vele malen erger gesteld is. Het is de hoogste tijd om het taalgebruik weer iets ‘normaler’ te maken voordat het nóg erger wordt, want anders zal het vrees ik slechts een kwestie van tijd zijn voordat we naar een dodelijk saaie WSOP finale tafel op ESPN zitten te kijken, waar iedereen doodstil aan tafel zit, verscholen onder een capuchon, tot aan de laatste showdown:
“Push.”
“Snap.”
“One time!”
“Sick hold.”
“Ship it.”
“gg”
Peter Dalhuijsen
|